Er kwamen er meer uit die week. Dit zijn de drie die er het meest uitsprongen.
Vorige week heb ik mijn eigen systeem opnieuw geïnstalleerd op een lege machine. Niet de handleiding lezen en knikken, maar hem ook echt uitvoeren, alsof ik het ding nooit eerder had gezien. Ik wilde weten of het werkt zonder mij.
Dat is een vervelende oefening, want je betrapt jezelf. Elke opdracht die ik aan een agent geef zit vol aanwijzingen die nergens staan. Ik hoef ze mezelf niet te vertellen, dus schrijf ik ze niet op, en zolang ik erbij zit gaat het goed. Precies daarom gaat het mis op het moment dat ik er niet bij zit.
Een haak is een onderbreking in het werk van de agent. Op het moment dat hij aan een bepaalde handeling begint — iets bouwen, een nieuwe agent aanmaken, stoppen — gaat er eerst iets anders af. Soms een tekst die hij eerst moet lezen, soms een blokkade waar hij pas langs komt als hij dat gedaan heeft.
Het verschil met een instructie is het moment. Een instructie staat in zijn opdracht en die leest hij aan het begin. Wat ik hem wil meegeven heeft hij nodig als hij er drie weken later middenin zit, met iets heel anders in zijn hoofd. Een haak wacht tot dat moment en gaat dan pas af.
Daarom zijn dit ook geen nieuwe functies. Er kan niets meer dan eerst. Wat erbij is gekomen is dat het systeem zelf vraagt om wat ik er altijd zelf bij zei.
Vraag ik een agent iets te bouwen, dan zeg ik er altijd bij dat hij eerst moet kijken hoe wij het doen. Niet omdat hij het niet kan bedenken, maar omdat het al bedacht is. Zonder die zin maakt hij zijn eigen versie, netjes maar anders dan al het andere. Dan heb je twee dingen die hetzelfde doen, waarvan er één wordt bijgehouden, en je merkt het pas als ze verschillende antwoorden geven op dezelfde vraag.
Hier heb ik het langst over nagedacht, want dit is geen kennisprobleem. Hij ziet een probleem, voelt dat hij het aan het oplossen is, en gaat bouwen. In die beweging kijkt hij niet of het al opgelost is. Tegen een reflex helpt een beter hoofdstuk niet, alleen een rem op het moment zelf. Op één dag bouwde hij zo drie keer iets na dat gewoon al in huis was.
Bij deze zat ik er zelf het verst naast. Ik dacht dat het ging om de gegevens die je een nieuwe agent meegeeft. Het gaat om een route van zes stappen, en de zwaarste is de tweede: ik zeg wat ik wil hebben, en dan gaat de agent die hem aanmaakt eerst met mij in gesprek. Wat doet die nieuwe agent wel, wat doet hij niet, waar staat zijn materiaal, en waaraan zie ik dat hij zijn werk goed doet.
Dat is de stap die overslaat, en het is de enige die niet in te halen is. Een opdracht die zonder dat gesprek geschreven wordt, beschrijft de nieuwe agent zoals de aanmaker zich het dossier vóórstelt. Dat leest uitstekend en het staat naast de werkelijkheid, want ik ben degene die weet wie er belt, wat er vorig jaar is misgegaan en welke twee onderwerpen bij deze klant gevoelig liggen.
Daarna landt die tekst als zijn opdracht in zijn eigen map, en dat is het eerste wat hij leest bij elke start. En zijn allereerste handeling is niet vragen wat hij moet doen: hij loopt zijn eigen map door en legt zijn werkstand aan met wat er al ligt.
Deze heb ik besteld en daarna drie keer bijgestuurd, en die derde bijstelling is wat hem bruikbaar maakte. Hij gaat af op het moment dat een agent stopt terwijl er nog werk open staat, en stelt dan één vraag: kun je niet verder, en waarop wacht je dan? Of ben je er gewoon mee opgehouden? De aanleiding was een agent die met vier punten terugkwam terwijl er nog een hele lijst open stond.
Hij zegt niet ga door. Hij stelt een vraag, en hij doet dat hooguit één keer per stop, want elke melding kost de agent een extra beurt. Dat klinkt als een detail en het was de hele bijstelling. Een haak die tegen de agent zegt je bent nog niet klaar, hier zijn negen punten beloont doorgaan en straft stoppen, terwijl stoppen soms precies goed is: hij heeft iets van mij nodig en dan is wachten het werk. En een agent die te horen krijgt dat hij door moet, gáát door, ook als hij niet weet waarheen. Dan bouwt hij een half uur de verkeerde kant op terwijl er niemand kijkt.
Wat de richting begrenst is de lijst. Hij noemt de punten die nog openstaan bij naam en met hun plek erbij, en zegt daarna pas hoeveel er nog achter staan — aan enkel een getal uit mijn eigen boekhouding heeft niemand iets. En de grens hoort erbij: hij ziet of het werk af is, niet of het goed is.
Er kwamen er die week meer bij, en een deel daarvan is reparatie op reparatie. Deze drie noem ik omdat ze alle drie hetzelfde laten zien: ze repareren niets dat stuk was. Ze halen iets uit mijn hoofd en zetten het op de plek waar het nodig is.
Een agent kijkt nu eerst wat er al bedacht is, voor hij gaat bouwen. Een nieuwe agent wordt pas beschreven na een gesprek met mij. En een agent die stopt terwijl er nog werk openstaat, zegt waarom. Dat gebeurt ook als ik er niet bij zit.
Op een lege machine merkte ik wat ik er uit gewoonte bij zeg. Precies die zinnen ontbreken op de dag dat ik niet meekijk. Ik verwacht dat de volgende installaties er meer laten zien.
Het staat inmiddels op de machine van mijn compagnon Daniël, en deze week gaat hij ermee werken, als eerste van meer. Hij heeft het niet gebouwd en denkt niet zoals ik, dus dan blijkt of deze drie de goede waren. Ik denk zelf van niet, of in elk geval niet alleen deze. Wat ik heb kunnen inbouwen zijn de gewoontes die ik van mezelf ken.